5.5.3 Elektromagnetische straling en ruimtetijdquanta

5.5.3 De betekenis van elektromagnetische straling in een gequantificeerd heelal.

 

            We herinneren ons de uitspraak van G. ‘t Hooft: ‘Het elektromagnetische veld in een supergeleider is een Maxwellveld  met een kleine reikwijdte, interessant voor wie de zwakke kracht bestudeert’. Het elektromagnetische veld in een supergeleider wordt dus eerder beheerst door de zwakke kracht, ook al omdat het géén ijkveld kán zijn. Het kenmerk van een ijkveld was immers dat bij een transformatie ‘alles hetzelfde blijft’. In een groter omvattend verband kunnen we de ‘zwakke kracht’ dan misschien gaan zien als een verandering van deeltjes, zoals bijvoorbeeld gebeurt in een supergeleider, fermionen worden bosonen.We kunnen vragen is het veld in een supergeleider eigenlijk wel een elektromagnetisch veld? Elektromagnetisme is toch een kracht mét een grote reikwijdte. Als we krachten niet beschouwen als op zichzelf staande autonome krachten, maar als toestanden waarin materie(deeltjes) zich bevinden afhankelijk van de plaats die ze op de asymmetrische tijdpijl hebben, dan kan het logisch zijn, gezien het voorgaande, dat er géén elektromagnetische kracht meespeelt in supergeleiders. De conclusie kan dan zijn dat het veld in een supergeleider eigenlijk alleen maar een elektrisch veld is. Dit idee onstond bij mij doordat het duidelijk is dat elektriciteit in een supergeleider minder gequantificeerd is dan in ‘gewone’ geleiders. Dat kan komen doordat de ruimtetijdquanta in supergekoelde omstandigheden vloeiender geschakeld zijn, waardoor hun energieën het elektrische veld ‘non lokale’ eigenschappen geeft. In ‘gewone’ geleiders is dat wat daar gebeurt te beschrijven met de elektromagnetische kracht. Er is dan geen supergeleiding, quantificatie kan dus samenhangen met de elektromagnetische kracht.

            Er is nog een ander facet dat blijkbaar meespeelt bij supergeleiding, dat is ‘diamagnetisme’. Wat kan de rol daarvan zijn? Hierover wil ik een aanhaling[1] doen die op het eerste gezicht weinig met supergeleiding van doen lijkt te hebben: ‘Algemene eigenschap van materie veroorzaakt doordat onder invloed van een magnetisch veld de elektronen in atomen van beweging veranderen. Hierdoor ontstaat in materie een magnetisch moment dat het externe veld tegenwerkt.’ Verder wordt daar gezegd dat de ‘magnetische susceptibiliteit’ ligt tussen -10-5 en 0. Magnetische susceptibiliteit geeft de verhouding aan tussen de magnetische veldsterkte en de daardoor veroorzaakte magnetisatie.

 

Is diamagnetisme van een andere orde dan het ‘gewone’ magnetisme?

 

            Op andere plaatsen kom je de opmerking tegen dat supergeleiders perfect diamagnetisch zijn én belangrijker nog dat er tussen een weerstand nul en diamagnetisme een verband moet bestaan. Het is bekend dat een magnetisch veld een supergeleider niet kan binnendringen, of slechts heel beperkt. Dat blijkt al uit de magnetische susceptibiliteit die zoals we zagen heel klein is en bovendien nog negatief. Je zou denken dat bovenstaande gegevens tegenstrijdig met elkaar zijn. Wat de eerste betreft, die gaat natuurlijk niet over supergeleiding. Misschien bewerkstelligt in normale omstandigheden een extern magnetisch veld dat de eigenschap diamagnetisme aan het licht komt[2]. Het kan een fundamentele eigenschap zijn, omdat ze in álle stoffen voorkomt. In ‘normale’ omstandigheden merk je er niet veel van, het kan echter toch van belang zijn waardoor elektronen configuraties werkzaam zijn, in die zin zoals wij ze ‘waarnemen’.

            In supergeleiders treedt er zoals gezegd een verband op, het verhindert namelijk dat externe magnetische velden een supergeleider binnendringen. Althans als ze niet te sterk zijn, in dat geval vernietigen ze de supergeleidende toestand, omdat de energie die nodig is om deze in stand te houden te groot wordt. Dat kan dus betekenen dat het ‘gewone’ magnetisme niet in een supergeleider voorkomt. Dat dit zo werkt kan komen omdat diamagnetisme een fundamentele eigenschap is, niet alleen van alle stoffen, maar op elementair niveau. Het is duidelijk dat ik supergeleiding (en supervloeibaarheid) als afgeleid van een elementairder niveau beschouw dan de ‘normale’ fermionentoestand. Hieruit valt te leren over het tot stand komen van materie uit een materie omhullende achtergrond, zei het dan dat we het op de omgekeerde wijze benaderen. Dit elementaire gegeven doet sterk denken aan een andere eigenschap die ‘overvleugeld’ wordt door de fermionentoestand, dat is de ‘nulpuntsenergie’. Misschien dat beide uitingen zijn van een en hetzelfde verschijnsel. Als we de nulpuntsenergie beschouwen als fundamenteel elektrisch, en diamagnetisme als de andere kant van hetzelfde verschijnsel, dan lijkt het op de elektromagnetische verschijnselen van licht en elektronen. Ogenschijnlijk spreek ik hier mijzelf tegen, omdat ik opperde dat elektromagnetisme, als kracht, niét binnen supergeleiders werkzaam is. In plaats van een tegenstrijdigheid kan het de tegenstelling tussen verschijnselen in het vacuüm (en in bepaalde verbanden in het gebied van/nabij het absolute nulpunt) én de ‘normale’ fermionentoestand beschrijven.  Het zou dus om elementaire eigenschappen kunnen gaan, die op dat fundamentelere niveau werkzaam zijn, én die op een ‘normaler’ niveau, dat van de fermionen, werkzaam zijn met de ons vertrouwde elektromagnetische verschijnselen.

 

Is er een fundamentelere basis mogelijk, dan wij denken?

 

            Komen we hier op een cruciaal punt, dat van de werking van de ruimtetijdquanta? Vinden we van deze basis van de elektromagnetische kracht hierin iets terug? Het lijkt van wel. Er is een overeenkomst met licht dat ook elektromagnetische straling is. Vinden we ook in de verschijnselen van elektromagnetisme óp fermionen niveau iets terug van  deze dingen? Als er een echt verband is, dan is het de moeite waard omdat te vinden. Noodzakelijk is dan dat we de grondslagen van materie en ruimtetijd in de werking van de ruimtetijdquanta kunnen terugvinden. Van deze werking zullen we het verband met het fermionen heelal, en in complexere zin van materie,  duidelijk moeten maken. Tevens moet er een hecht verband zijn met de asymmetrische tijdpijl. We proberen dat hier verder te analyseren. Misschien kunnen we iets leren van elektronen in supergeleidende toestanden? Elektronen (die fermionen zijn) zijn in normale omstandigheden dragers van ladingen en die ladingen als ze bewegen brengen een elektrische stroom voort. Zijn die elektronen dan in supergeleidende omstandigheden nog steeds fermionen? Nee, het zijn bosonen geworden. In de gangbare opvatting lijkt het echter dat het nog steeds elektronen zijn, ze gedragen zich alleen maar als bosonen. Het zouden gekoppelde paren elektronen zijn, de zogenaamde ‘Cooperparen’. Normaal stoten elektronen elkaar af, ze hebben dezelfde minlading. Dit werd opgelost door te veronderstellen dat elektronen een wisselwerking aangaan met positieve ionen, en daardoor een paar te vormen dat zich als een boson gedraagt. In eerdere commentaren legde ik de nadruk op de overgang van fermionen in bosonen, bij zeer lage temperaturen. Het bosonen idee van de ‘Cooperparen’ is niet in strijd hiermee, maar kan een gegeneraliseerde beschrijving zijn van een in wezen veel fundamenteler proces. Dat er iets bijzonders aan de hand is, blijkt al uit het feit dat alle supergeleidende elektronenparen met één golffunctie beschreven kunnen worden. Dat geeft al aan, dat al zulke elektronen in een geheel nieuwe toestand komen te verkeren.

Elektronen die fermionen zijn dus ladingdragers, de vraag is nu zijn bosonen óók ladingdragers? Fotonen en gluonen in ieder geval niet[3]. Als nu elektronen, die bosonen worden, géén lading[4] dragen dan is de elektrische stroom in een supergeleider van een geheel andere orde. Er is geen weerstand, géén verlies in de stroom. Dus als we meten en bemerken dat er geen verlies is, dan geven onze meetinstrumenten een weerstandloze stroom aan, die wij vervolgens als een ‘normale stroom’ (zij het dan een weerstandsloze) interpreteren. Maar dat hoeft niet zo te zijn, omdat we al zagen dat alle elektronen, als bosonen zijnde, met één golfunctie beschreven kunnen worden. Dat betekent dat de hele stroom, van het begin tot het eind als een quantumdeeltje beschouwd kan worden. Beter is het natuurlijk niet van één quantumdeeltje te spreken, maar van één quantumtoestand. Een toestand die non-lokale verschijnselen vertoont, en alleen daardoor al van een andere orde is dan een ‘gewone’ fermionenstroom. Hier kan je van een fundamenteel verschijnsel spreken, dat op een hoger niveau (het alledaagse) als een alledaags natuurkundig verschijnsel gezien wordt, omdat wij meetinstrumenten gebruiken die uit deeltjes bestaan en daardoor onderhevig zijn aan thermodynamische verschijnselen.

De ‘gewone’ straling, licht of anderszins, wordt voortgebracht door bronnen die aan thermodynamische wetten onderhevig zijn. Zijn er nu overeenkomsten en/of verschillen met de energieën nabij het absolute nulpunt. Opmerkelijk is dat alle straling beschouwd wordt uit fotonen te bestaan, bosonen dus. Toch vertoont ‘gewone’ straling géén bosonische verschijnselen, de energieën die daar mee gepaard gaan lijken geen non-lokale supergeleidende verschijnselen te hebben. Integendeel zij zijn onderhevig aan de (beperkte) lichtsnelheid. Terwijl de energieën bij supergeleiding daar lak aan lijken te hebben, niettemin zijn beide voortbrengsels van fermionen toestanden. Wat kan de oorzaak van dit verschil zijn?

 

Nogmaals een veld met een ‘kleine rijkwijdte’

 

Omdat we bosonen heel anders kunnen benaderen dan fermionen, en deze bosonen in een supergeleider een dóórlopende vloeiende vorm van energie veroorzaken, lijkt het redelijk dat we deze vorm van energie niet met elektromagnetische wetten moeten beschrijven. Denk hier nog even aan G. ‘t Hooft, die het had over ‘een Maxwellveld met een kleine reikwijdte’, dan is er een duidelijk verschil met ‘gewone’ verschijnselen die wel met de elektromagnetische kracht beschreven kan worden, een kracht mét een grote reikwijdte. In principe is datgene wat binnen een supergeleider gebeurd, beperkt tot het materiaal dat supergekoeld wordt. Dat op zich is dat niet de reden van de kleine reikwijdte. Het heeft te maken met de fysische ruimte(tijd) waarin deze krachten een groot of klein bereik hebben. Waarom kunnen we nu zeggen dat een kracht in een supergeleider ‘een kleine’ reikwijdte heeft? Dat heeft niet zozeer te maken met de ‘beperkte omvang’ van ons supergeleidend systeem, maar alles met de fysische toestand van zo’n systeem dat heel anders is dan de ‘normale’ toestand van het heelal. Dat is dan een heelal waar niet per definitie non-lokale verschijnselen de boventoon voeren, neen het is een Einsteins-heelal, afhankelijk van de beperkte lichtsnelheid. Daar komt nog bij dat het een thermodynamisch heelal is en tot slot een fermionen heelal, althans in het materiedeel.

 

Het ‘normale’ heelal heeft twee curieuze gebieden.

 

Supergekoelde toestanden kunnen  we dus beschouwen als ‘afgezonderde’ delen van het heelal, als we ons even beperken tot de ‘normale verschijnselen’ die we genoemd hebben. We  komen nu bij twee gebieden eveneens onderdeel van dat ‘normale’ heelal. Dat zijn de lege ruimtes binnen het atoom, de zogenaamde 99,999% van het atoom waar geen materie is. Maar ook en dan in het heel groot, de lege ruimtes in het heelal, ‘daar waar géén materie is’. We zullen eerst dit laatste eens beschouwen. Deze ruimtes worden ook wel de ‘grote lege holtes’ genoemd. In die delen waar géén materie is, zal de temperatuur zéér laag zijn, immers temperatuur ontstaat door bewegende deeltjes. Kunnen we nu stellen dat in die delen ‘waar geen materie’ is, een perfect vacuüm dus, ook supergeleidende toestanden heersen. En dat licht en/of andere straling die door dat vacuüm beweegt, dóór dat vacuüm beweegt als een supergeleidende stroom van energie? Dat lijkt op zich niet eens zo onlogisch, als het waar zou zijn, dan zet dat de ‘hele boel’ pas echt op zijn kop. Om maar iets te noemen, Einstein is dan niet meer geldig t.a.v het gehele heelal. Het lijkt verleidelijk om een scenario over dat idee op te zetten, maar er zijn lijkt mij gegronde redenen om aan te nemen dat, dát hele grote vacuüm niet supergeleidend is. Dat stoelt op het idee van de ruimtetijdquanta én de ontwikkeling van de asymmetrische tijdpijl. Het idee hierachter is dat ruimtetijdquanta ontstaan in de grote lege holtes, het is dan gequantificeerde ruimtetijd geworden, ontstaan uit een vloeiende continue achtergrond. In deze ‘lege’ ruimte zijn er geen andere invloeden dan die van ruimte-tijd zelf, de ruimtetijdquanta. De energieën die door die lege ruimte bewegen doen dat dan over een ondergrond van die ruimtetijdquanta. In zo’n lege ruimte zijn de ruimtetijdquanta ‘slechts’ aaneengeschakeld, terwijl deze in gekromde ruimtes gecomprimeerd zijn (en in materie nog verder gecomprimeerd). In deze gekromde ruimtes ligt het volgende wel wat anders. Hier gaat het louter om de ‘lege ruimte daar waar geen materie is’, maar ook volledig vlak is.

‘Stel dat een elektromagnetische golf in principe alleen maar een elektrisch verschijnsel is, dan zouden de energieën van de individuele ruimtetijdquanta afwisselend aantrekkend en afstotend kunnen werken op zo’n elektrisch verschijnsel. Daardoor zou een elektrische golf beurtelings elektrisch en magnetisch worden. Misschien dat elektriciteit en magnetisme twee kanten van hetzelfde zijn, het is bekend dat een stroom een kracht kan uitoefenen op een magneet, en omgekeerd een magneet op een stroom. Ja, dat een stroom magnetisme kan opwekken en een magneet een stroom. Maar dat moet een diepere verklaring hebben en die kan liggen in de ruimtetijdquanta. Nu is het beeld van een elektromagnetische golf een geïdealiseerde vorm (het gaat eigenlijk om elektrische en/of magnetische velden)  niettemin kan het helpen om een beschrijving te vinden van onderliggende kennis. Deze geïdealiseerde vorm roept de suggestie op dat de beurtelings toenemende en afnemende vector (veldkracht of richting) van zowel het elektrische veld en het magnetische veld betekenis hebben. Ze kruisen elkaar op een ‘nulpunt’, maar ook wisselen ze op zo’n punt van richting. De amplitude (uitwijking) van de betreffende velden loopt van nul tot de grootst mogelijke uitwijking, neemt dan vervolgens af, weer tot nul, en wisselt dan van richting.

Als we het veranderende magnetische veld als een veranderende magneet beschouwen ten opzichte van het elektrische veld, kun je dan zeggen dat ze beurtelings een noord- en een zuidpool heeft? Gelijknamige polen stoten elkaar af, er zijn wisselende uitwijkende magnetische velden en elektrische velden. Hebben ze beide dezelfde ‘pool’? Het lijkt niet zo te zijn, onder meer omdat de tegengestelde uitwijking ‘slechts’ onder een hoek van 900 plaatsvind. Ook al is het een geïdealiseerde beschrijving, we gaan ervan uit dat die hoek een betekenis heeft, ook al weet ik op dit moment niet zeker wat dat is. Het is wel zo dat de velden, magnetisch en elektrisch, ieder op zich geen hoek maakt, maar ten aanzien van elkaar. Dat  zou kunnen betekenen dat ieder veld, ook al wisselt het, zich in hetzelfde vlak voortplant[5].

 

Is het magnetische veld als onderdeel van een lichtgolf, een afspiegeling van de ‘werking’ van ruimtetijdquanta?

 

Onderzoeken we een ruimtetijd die bestaat uit ruimtetijdquanta, dan lijkt het erop dat we tot een logischer verklaring kunnen komen. Is het magnetische veld dan misschien een afspiegeling van de ‘werking’ van de ruimtetijdquanta? De energie daarvan zou kunnen  werken als een soort ‘drukkende’ zwaartekracht. We bekeken, als u het nog niet vergeten bent, de overeenkomst, en de verschillen, tussen een supergeleider (in eerste instantie een die door ons is vervaardigt) en de grote ‘lege holtes’, die uit aaneengeschakelde ruimtetijdquanta bestaan. We onderzochten de rol van diamagnetisme in zulke supergeleiders, en wat zagen we? Een supergeleider vertoont een volmaakt diamagnetische toestand. Hoewel het diamagnetisme in supergeleiders ervoor zorgt, dat externe magnetische velden buitengesloten worden, lijkt het erop dat diamagnetisme een elementaire eigenschap is van ruimtetijdquanta is. Hoewel er in de grote lege holtes géén externe magnetische velden zullen zijn (deze worden immers opgewekt door allelei verschijnselen, zoals bijvoorbeeld zonnevlammen), kan deze eigenschap ‘diamagnetisme’ opgevat worden als een ‘voortstuwend’ medium. Het heeft immers een negatieve susceptibiliteit, dat wil zeggen dat ze in tegenstelling tot ‘gewoon’ magnetisme niet aantrekkend, maar afstotend is.

Dit ‘afstotende’ diamagnetische veld heeft dan de volgende werking: als het toeneemt dan stoot het af, dat wil zeggen dan stuwt het, het elektrische veld in een voortgaande beweging[6]. We zagen echter dat in het ‘golfmodel’ een toenemende en een afnemende werking zit, de wisselende velden nemen bovendien af tot nul en wijken dan uit in de tegenovergestelde richting. Als ze afnemen tot nul dan lijkt het of ze, het elektrische en het magnetische veld verdwijnen, dat lijkt niet logisch  zeker niet voor het elektrische veld. Een elektrisch veld vertegenwoordigt een hoeveelheid energie, die uitgezonden wordt van een bron, bijvoorbeeld het licht van een ster. Dat gaat door zolang zo’n bron die energie produceert. Het afnemen van het elektrische veld tot nul hoeft dan niet meer te betekenen dan dat de werking van het diamagnetisme van de ruimtetijdquanta tot nul afneemt, om vervolgens weer toe te nemen waardoor het elektrische veld slechts tijdelijk stilstaat en wéér in beweging komt.

 

Ruimtetijdquanta, niet alleen als ‘ruimte’ eenheden, maar ook als ‘tijd maal energie’ eenheden.

 

Het ruimtetijdquanta model geeft aan dat het zo kan gaan, dit scenario zou de verklaring van het golfmodel kúnnen zijn, toenemend én afnemend. Wat het afnemen en toenemen van het diamagnetische veld van de ruimtetijdquanta betreft, daarvoor moeten we de werking van de ruimtetijdquanta verder onderzoeken. Ruimtetijd bezien we dan als bestaand uit ruimtetijdquanta, ieder ruimtetijdquantum draagt dan bij aan de vorming van ruimte, maar behalve dat zijn het óók ‘tijd maal energie’ eenheden. Dat betekent dat ieder indiviueel ruimtetijdquantum, als een ‘krachtfabriekje’ niet alleen energie levert (de energie van de lege ruimte), maar ook zoals beredeneert als een ‘stuwende’ kracht werkt. In samenhang met een eenheid Plancktijd (10-44 sec.) en een eenheid Plancklengte (10-35 m.) ontwikkeld één ruimtetijdquantum die stuwende werking[7]. Waarom neemt  ze dan telkens af om vervolgens weer toe te nemen? Dat heeft te maken met de quantificatie van de ruimte. Als deze werking zonder onderbreking door zou gaan, dan betekent dat, dat ruimtetijd continu zou zijn, en de hele opzet van dit onderzoek wil nu juist laten zien dat ruimtetijd gequantificeerd is. Deze quantificatie brengt dan ook mee dat er binnen één ruimtetijdquantum een soort van pulsatie werkzaam is, er zijn immers Planckeenheden van tijd en lengte. De werkzaamheid omvat dan wat deze eenheden betreft telkens weer een ontwikkeling in ‘tijd én ruimte’. Hoewel ik elders redeneerdat deze ruimtetijdquanta iets absoluuts lijken te hebben, staat dat  pulsatie niet in de weg. De genoemde absoluutheid wil zeggen dat het ‘onzekerheidsheidsbeginsel’ van Heisenberg hier niet van toepassing is. Voor zover zo’n dergelijke beginsel werkzaam is, is dat op een véél hoger niveau dan dat van de ruimtetijdquanta. De ruimtetijdquanta zijn werkzaam op het Planckniveau, vele machten van tien kleiner dan de afmeting van een proton. De quantificatie van ruimtetijdquanta is dan fundamenteler van aard dan de quantumtheorie, die is slechts werkzaam op dat ‘grootschaliger’ niveau. Deze quantificatie heeft veeleer te maken met de omzetting van continue tijd én energie in discontinue eenheden ervan. Dat is de reden dat er ook binnen ieder individueel ruimtetijdquantum toenemende en afnemende werking is, omdat als dat niet zo was, er ook binnen een zo’n ruimtetijdquantum een continue werking aanwezig was.

 

Een vraag die nog een antwoord behoeft.

 

Er doet zich nu een vraag voor, dat is hoe veroorzaakt die stuwende werking nu het golfkarakter van de elektromagnetische straling? Het is bekend dat ieder soort van straling zijn eigen golflengte en frequentie heeft, dus kan niet iedere golflengte en frequentie gelijk op gaan met de Plancklengte en de Plancktijd. Het is duidelijk dat een seconde (onze seconde) onnoemelijk veel Plancksecondes telt. Zelfs de sterkste gammastraling heeft in een seconde, hoewel een zeer grote frequentie, lang niet zoveel trillingen per seconde als er Plancksecondes in een ‘gewone’ seconde zitten. Omdat er sprake is van een interactie tussen elektrische velden (je kunt ook uitgaan van straling, als een wat vereenvoudigd beeld) en de afstotende werking van de ruimtetijdquanta, kun je misschien stellen, dat afhankelijk van de energie van zo’n veld (of van de straling), deze interactie bepaalt in welke golflengte en/of frequentie zulke straling vertaald wordt. Dat zal dan heel divers zijn, van heel sterke gammastraling tot zeer laag energetische radiostraling. Zijn hier aanwijzigingen voor te vinden ? Het aanvaarden van ruimtetijdquanta noopt tot verder onderzoek!

Nu we aan het eind van dit deel zijn gekomen, lijkt het erop dat de quantificatie van de ruimtetijd quanta van een fundamentelere aard is dan de quantisatie van de quantumtheorie. Hierdoor zou de weg vrijgemaakt kunnen worden tot een samenvallen van de relativiteitstheorieën en de quantumtheorie. In een volgend deel zullen we dat trachten te beredeneren. Het gaat dan niet om een zogenaamde ‘quantum-zwaartekracht theorie’ omdat beide ‘slechts’ benaderingen zijn van diepere fundamentelere beginselen. Indien er aan ruimtetijdquanta een zekere absoluutheid toegekend mag worden, en er lijkt veel voor te zeggen, dan hebben we zulke ‘vage’ benaderingen als het zogenaamde ‘quantumschuim’ niet nodig. Zulke begrippen ontstaan door een al te dogmatische opvatting van de quantummechanica. Het hele probleem van het gebruik van dit soort begrippen komt doordat er koste wat kost vastgehouden wordt aan het gebruik van quantumbegrippen op grootschalige systemen, zoals bijvoorbeeld het heelal. Dat leidt tot steeds meer bizarre ideeën over het heelal, zoals multiversia. Een oneindig aantal heelallen die allemaal ontstaan door ‘toeval en  willekeurigheid’. In bepaalde (filosofische) opvattingen van de quantumtheorie speelt dit laatste ook een grote rol, en sommigen proberen dat te koppelen aan het ontstaan van het heelal. Maar zoals gezegd zullen we eerst trachten tot een analyse te komen van een dieperliggende theorie.

 


[1] Uit ‘Prisma van de natuurkunde’, blz. 110. Spectrum Utrecht 1990.

[2] Hoewel dat er niet zo staat. Het externe veld veroorzaakt diamagnetisme wordt er gezegd, maar misschien is het een wat eenvoudige beschrijving.

[3] Van de zogenaamde vectorbosonen heeft alleen het neutrale Z0 boson géén lading, terwijl de andere twee, het W + en het W - , een plus en een min lading dragen. In dit verband ga ik er vanuit dat de bosonen, of bosonachtige toestanden bij supergeleiding net als fotonen en gluonen géén lading dragen. Bosonen mét lading zie ik als energetische toestanden in gekromdere deeltjesconfiguraties, die door ons als deeltjes (zware) gedetecteerd worden. Dit soort detecties, maar ook wel detecties in het algemeen, zie ik als ‘tot klassiek’ niveau verheven quantumtoestanden. Dus net zo min als we van een goed gedefinieerd deeltje kunnen spreken vóór detectie, kunnen we bij bosonen met lading vóór detectie, rustig van een quantumtoestand spreken in de zin van energetische configuraties, die niet per definitie als deeltje benoemd hoeven te worden.

[4] Géén lading dragen kan betekenen géén gequantificeerde lading. omdat de supergeleidende toestand minder gequantificeerd is dan in het geval van fermionen.

[5] Dat lijkt nogal een primitieve beschrijving, want nemen we aan dat het inderdaad een geïdealiseerde beschrijving is, en gaat het in werkelijkheid over velden, dan lijkt het logischer dat deze velden een grotere ruimtelijke uitgebreidheid hebben dan slechts in één vlak. Deze kwestie raakt aan het probleem van de dimensies, dat ik al eerder aantipte. Als het om velden in een vlak gaat, hebben deze dan slechts twee dimensies? Of is er enige uitgebreidheid in een derde dimensie? Dat alles lijkt er op dat het gebruikelijke ‘model’ niet meer dan een wiskundige benadering is. In werkelijkheid moeten velden uitgebreid zijn, denk maar aan mobiele telefoons, deze kunnen het signaal van een zender ‘oppikken’ in een grote straal rondom de zendmast. Hoe je deze hele kwestie aanpakt als het werkelijk om uitgebreide velden gaat is mij op dit moment niet echt duidelijk. Wat voor een elektrisch veld geldt, geldt evenzo voor een magnetisch veld en hoe is dan de interactie tussen beide? Doordringen deze beide elkaar, of is bovenstaande verklaring in verband met ‘het bewegen van elektrische velden’ over ruimtetijdquanta doeltreffender? Een elektrisch veld kan zich dan gemakkelijk ruimtelijk uitstrekken, omdat er overal in het bereikbare ruimtetijd gebied ruimtetijdquanta zijn.

[6] Al eerder opperde ik dat deze ‘stuwing’ van de ruimtetijdquanta, (in feite het diamagnetisme van ieder individueel ruimtetijdquantum) de lichtsnelheid oplevert. Hoe dat berekent moet worden kan nog wel eens een probleem opleveren. Bij het vaststellen van de Plancklengte en de Plancktijd wordt ook de lichtsnelheid betrokken, als je terug uit rekent dan lijkt het alsof de lichtsnelheid eruit komt, maar dat is natuurlijk een cirkelredenering.

[7] Hier komen we even terug op het golfmodel, in de redenering die we aanvankelijk volgden onderzochten we of er ‘polen’ bij betrokken zouden zijn. Als ieder veld, het elektrische en het magnetische veld ieder gelijknamige polen zouden hebben, dan zou dat de oorzaak kunnen zijn dat we wisselende ‘uitwijkingen’ in de elektromagnetische golf hebben. In het verdere betoog zien we dat er betere, diepergaande, redenen zijn. Het afstotende effect van het magnetische deel van een ruimtetijdquantum heeft zo gezien niets met gelijknamige polen te maken, maar met de negatieve, dat wil zeggen afstotende, susceptibiliteit.